OVERWEGING HOOGFEEST ALLERHEILIGEN, ST. MARTINUSPAROCHIE, ALMERE, 1 NOVEMBER 2009 (Apok. 7,2-4.9-14 en Mt. 5,1-12a)(B)

Het waren roerige tijden toen. Aan het begin van onze jaartelling. De mensen zaten vaak diep in de problemen. Het land waarin zij leefden was bezet door de Romeinen en veel van de leiders van het volk heulden met die bezetters. Er werd veel belasting geheven. Grote prestigeprojecten van de leidende elite werden daarmee gefinancierd. En de kleine mensen, de kleine boertjes, de eenvoudige ambachtslieden moesten dat opbrengen. En elke mens probeerde dat op zijn eigen manier op te lossen. Er waren er die zich helemaal terugtrokken uit het gewone leven, zij gingen de woestijn in, zonderden zich af en leefden alleen met gelijkgestemden, met de mensen die ook zo zoals zij dachten. Anderen zochten de confrontatie, zij gingen in verzet, soms met geweld. En probeerden op die manier hun eigen leven en dat van hun kinderen langzaam aan te verbeteren.

Jezus koos voor een andere oplossing, of beter gezegd een andere richting, een andere weg. Hij vluchtte niet de woestijn in. Hij was er dus niet op uit om de problemen van zijn tijd te ontlopen en zijn kop in het zand te steken. Maar Hij koos ook niet voor geweld. Maar wat Hij dan wel wilde, was voor veel mensen een reden om Hem op te zoeken. En zo kwamen duizenden mensen op Hem af. En om hen te kunnen toespreken, zocht Hij een goede plek. Hij ging de berg op, zodat iedereen Hem kon zien en horen. Hij begon daar met zijn Bergrede.
Dat tegenover armoede, verdriet, honger en vervolging rijkdom, vreugde en verzadiging staan. Dat de ‘armen van geest’ het vol moeten houden, want die armen van geest zijn mensen die de kunst verstaan iets te kunnen geven zonder iets terug te verwachten. Want zij zijn mensen die ook los kunnen laten, zelfs wat hen dierbaar is. Jezus prijst mensen met die mentaliteit zalig.

De treurenden moeten ook niet wanhopen, er komt een andere tijd. En je bent al heel ver als je je eigen falen en fouten durft te erkennen en als je het leed dat je een ander aandoet onder ogen durft te zien. En ook de zachtmoedigen krijgen een hart onder de riem: laat de zachte krachten in je nooit ondersneeuwen, houdt oog voor de zwakke en zieke mens.

En verder is er in onze wereld honger en dorst. In de letterlijke zin, maar ook figuurlijk. Honger en dorst naar liefde, naar vrede, naar gerechtigheid. Tegen hen zegt Jezus: laat je niet afstompen door het zoveelste bericht over de zoveelste hongersnood of aardbeving, maar blijf alert, blijf wakker en leg je nooit neer bij ongerechtigheid of bij het misbruik van mensen.

En voeg je vooral bij de ‘zuiveren van hart’, bij de mensen die onbaatzuchtig, zonder bijbedoelingen er gewoon zijn voor de ander en die op zo’n manier een beetje vrede en rechtvaardigheid om zich heen verspreiden.

Ja, en dan zijn er ook nog mensen die omwille van het zojuist gezegde en in praktijk gebrachte leven vervolgd worden. Dan is het helemaal moeilijk om het vol te houden, als de beulen klaar staan met hun gruwelijke martelwerktuigen. Toch probeert Jezus ook hen te bemoedigen. Te bemoedigen het vol te houden, dat de weg die zij gaan geen doodlopende weg is, maar een doorgang naar het leven, naar de overwinning.

De bergrede van Jezus. Als we zijn zaligsprekingen goed tot ons door laten dringen, komen we erachter dat het koninkrijk van God alleen maar dichterbij kan komen als wij het aan zouden durven een tandje harder te fietsen, een stapje meer te zetten of een nog beter twee stapjes harder te zetten.
In de eerste lezing lazen we over 144.000 getekenden  ‘die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam’. Die mensen, dat kunnen wij zijn. Maar ook de mensen die ons voorgingen in de dood. Steeds mensen die in goede en kwade dagen de weg van Jezus zijn gegaan, mensen die hebben liefgehad en barmhartig zijn geweest, die oog hadden voor de kleinste en zwakste mens. Zalige mensen uit alle tongen en talen, uit alle windstreken, die goed gekeken, geluisterd en gevoeld hebben. En daarnaar hebben gehandeld. De apostel Johannes, de schrijver van de eerste lezing, voelde zich geliefd door Jezus en zo stond hij in het leven. De heilige Franciscus van Assisi voelde zich een onderdeel van Gods schepping en zo stond hij erin. De kleine heilige Theresia van Lisieux was fier op haar kleinheid en dat was haar weg naar God. Al deze mensen ademden God in en uit en durfden stappen te zetten naar heelheid en vrede en gingen steeds meer lijken op Jezus, zijn Zoon. Wij zijn nog onderweg, wij hebben nog de kans om ook zo te worden. Wat doe ik zelf dus? Hoe helend en heiligend ben ik zelf?

Amen

 


Terug naar het archief