OVERWEGING VIERDE ZONDAG VAN DE ADVENT,
ST. MARTINUSPAROCHIE, ALMERE, 19 DECEMBER 2010

(Jes. 7,10-14 en Mt. 1,18-24)(A)

De laatste zondag van de advent richt onze aandacht zich helemaal op het kerstfeest, dat nu heel dichtbij is. En dat merk je aan alles: de afgelopen week heb ik bijvoorbeeld vier schoolkerstvieringen verzorgd en bij tal van mensen staat de kerstboom inmiddels met de kerstgroep. En hier in de kerk horen we dat een jonge vrouw zwanger is en een zoon ter wereld zal brengen. Als goed ingevoerde kerkgangers denken we dan meteen aan het Kerstkind. En de namen van het kind worden ook al genoemd: ‘Immanuël, God-met-ons’ en ‘Jezus, God redt’. Maar, en dat is de clou, alleen wie in geloof voor het teken openstaat, zal het inderdaad ook kunnen zien en begrijpen!

Achaz in de eerste lezing en Jozef in de evangelielezing, zijn daarin wat betreft het openstaan voor Gods werking elkaars tegenpolen. Achaz vertrouwt enkel en alleen op zijn militaire kracht. Dat leek hem in zijn situatie ook het verstandigste want er zat een oorlog met het Noordrijk aan te komen en aartsvijand Assyrië werd ook steeds machtiger. Vandaar dat Achaz zijn heil zocht in verdedigingswerken en in een stevig militair apparaat. En toen kwam de profeet Jesaja hem op zekere dag de les lezen. Jesaja verweet hem alleen maar te vertrouwen op wapengeweld en militaire macht. Er is immers veel meer! Hoe actueel klinkt ons dat in de oren: louter en alleen vertrouwen in de macht van de sterke arm, in de macht van de sterkste of op eigen kunnen. De mensen zetten al hun geld op één paard en verwachten daar alles van. En vaak gaat het dan ook goed. Als je het een beetje slim aanpakt en voldoende geld ter beschikking hebt, dan kun je er een aardig end mee komen. Totdat het fout gaat.

Vlak voor dat moment daagt Jesaja koning Achaz uit ook God in zijn leven te betrekken. Hem een teken te vragen dat God met zijn volk is, en dat God zijn mensen niet in de steek zal laten, ook niet in de donkerste dagen van hun bestaan. Maar Achaz is dom, koppig, hoogmoedig en eigenlijk ook ongelovig. Hij heeft geen interesse voor het woord van God en hij voelt er al helemaal niet voor om voor Jesaja af te gaan.

Maar God geeft hem ongevraagd een teken, zegt Jesaja: ‘Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen: Immanuël, God-met-ons’. Achaz krijgt een zoon en de jonge vrouw is zijn echtgenote. En dan is niet de geboorte van het kind het teken, neen, staat er wat verderop in deze profetie, ‘Voordat de knaapje het kwade weet te verwerpen en het goede te kiezen, is het land van de beide koningen, die u zulk een angst aanjagen, ontvolkt (Jes. 7,16). Dus de angst van Achaz, de koning van Juda, is onterecht! Want God is trouw aan zijn volk en aan het huis van David! En de komende geboorte van de zoon van Achaz is daarvan een teken: van de trouw van God, die zijn volk nooit en te nimmer in de steek laat! De grootmachten van zijn tijd zijn al lang aan het einde van hun Latijn en de geboorte van een kind is daarvan het teken en dus niet het gebruikelijke politieke of militaire vertoon. Het is in feite onmogelijk te geloven – en koning Achaz gelooft het ook niet – maar voor God is het onmogelijke mogelijk. En Hij maakt dat mogelijk door de geboorte van een kind.

Concluderend kunnen we zeggen dat het gewoon een slapjanus was die Achaz. Bij hem geen ruimte voor God, geen openheid voor het toekomstvisioen van de profeet, geen vertrouwen. Voor hem kan er dan ook helemaal niets nieuws gebeuren: hij ‘ziet’ het teken niet dat de profeet hem geeft.

Jozef is daarentegen uit een heel ander hout gesneden. Hij staat wel open voor een nieuwe toekomst. En of dat allemaal vanzelfsprekend voor hem was? Waarschijnlijk niet. Hij was eigenlijk een beetje een dromer, die Jozef. Soms timmerde hij, soms droomde hij. En in een van die dromen verscheen hem een engel om te zeggen dat hij bij Maria moest blijven die zwanger was. ‘Zwanger van de heilige Geest’, zei de engel zelfs. Het zal je maar gezegd worden. Hij begrijpt er geen snars van. Maar desondanks aanvaardt hij de situatie en aanvaardt hij Jezus, want hij geeft Hem zijn naam en plaatst Hem op die manier in de Davidische afstamming. Jozef maakt door Jezus te aanvaarden Jezus tot zoon van David. Voor menig trotse man onbegrijpelijk misschien, maar voor wie in geloof voor het teken openstaat toch te begrijpen. Want voor God is niets onmogelijk! Er zijn immers voor wie het wil zien telkens tekens van Godswege die wijzen op nieuw leven, zelfs op leven na de dood, ook al begrijpen wij niet hoe dat kan bestaan. Timmerend en ploeterend en piekerend was Jozef er wellicht niet op gekomen, maar dromend en gelovend wel. Houden wij daarom onze ogen open voor de tekens van God. Ze zijn bijna nooit spectaculair. Ze zijn veeleer klein, kwetsbaar als een kind.

Amen.

Terug