|
OVERWEGING HOOGFEEST VAN KERSTMIS, ST. MARTINUSPAROCHIE, ALMERE, 24 DECEMBER 2010 (Jes. 35,1-6a.10 en Mt. 11,2-11)(A) En dan is het weer Kerstmis. Ik neem aan dat iedereen daar op eigen manier druk mee is geweest. Sommigen hebben nog tot vanmiddag 16.30 uur gewerkt, anderen zelfs nog later omdat ze de zaak moesten afsluiten. En er zijn er die al een week vakantie aan het vieren zijn en zich rustig hebben kunnen voorbereiden. Maar hoe het ook zij, nu is het moment waarop het Kerstfeest gaat beginnen. En dat Kerstfeest begint altijd met het overbekende verhaal over de geboorte van Jezus. En de evangelist Lucas vertelt dat tegen de achtergrond van het volkstellingsbesluit van keizer Augustus. Dat was gewoon een kwestie van belastingheffing over grond- en huiseigendom. En het geeft ons aan dat Jezus niet in het luchtledige is geboren, maar in een wereld die de onze had kunnen zijn. Overal zijn regeringen bezig met belastingheffing. Dat was tweeduizend jaar geleden zo en is nu nog zo. Jezus is geboren in een wereld die de onze had kunnen zijn en die misschien wel de onze is, althans zoals veel mensen die ervaren. Hij werd geboren in Bethlehem, de stad van David. En David was een herdersjongen en herders waren zo’n beetje het uitschot van de samenleving. Daarom is het goed dat de herders de eerste getuigen zijn van zijn geboorte want Jezus zal de Messias van de armen zijn. En er was voor Hem geen plaats in de herberg, zoals er voor veel mensen geen plaats is in onze wereld. Het arme kind werd gelegd in een voerbak. We krijgen geen florissant beeld van de samenleving rond het jaar nul. Een kwetsbaar kind geboren onder belabberde omstandigheden. Een kind ons gegeven, een kind ons geboren. En we moeten er wat mee…!? En zo las ik een verhaal over een dorp, een uitgestorven dorp, want de jeugd was eruit weggetrokken en de ouderen werden ouder en stierven. Het zwembad, de school, de sporthal, alles was gesloten. Ja, ook de winkels waren weg. De AH-bezorgservice kwam eens in de week met een bestelwagen langs. Maar toen gebeurde er iets. Opa Donkers hoorde gehuil. Hij deed zijn voordeur open en daar op de stoep stond een mand met een baby erin. ‘Wat moet ik doen?’, vroeg hij zich verbijsterd af. Toen vond hij een envelop met een brief erin. ‘Wij kunnen niet meer voor onze Davy zorgen. Doen jullie dat alstublieft voor ons. Afzender: de vader en moeder’. ‘Dat arme joch!’ zei opa Donkers. ‘Ik zal er wat mee moeten, ik zal voor hem moeten zorgen, maar hoe?’. Op dat moment kwamen alle mensen van het dorp naar het huis van opa Donkers. ‘Wat is er aan de hand?’. En ze begonnen meteen van alles te regelen. Heel het dorp werd actief. Door die kleine baby. ‘We hebben melk nodig en babyvoeding en luiers. Waarom is hier eigenlijk geen winkel?’. Maar er gebeurde nog meer: de mensen begonnen de ramen te zemen, hun tuintjes netjes te maken en deden wat vrolijkere kleren aan. Het dorp leefde op. ‘En als het kind groter wordt, knappen we de speeltuin op, de school, de bibliotheek. Ons dorp is geen dood dorp meer’. De kleine baby had hen nieuw leven gegeven. Dit verhaal is natuurlijk geen kerstverhaal. Maar het vertelt ons wel van Kerstmis en wat een kind teweeg kan brengen. Wij hebben ons het afgelopen jaar ook behoorlijk met kinderen bezig gehouden. In katholieke kring brak de stortvloed aan verhalen over misbruik en mishandeling, vaak jaren geleden, in het voorjaar in alle hevigheid los. En die verhalen hebben ons allen zeer geschokt. En twee weken geleden ging een golf van afschuw door ons heen toen bekend werd wat een crècheleider in Amsterdam allemaal had uitgespookt met kinderen, met zeer kleine kinderen. Een kind wordt aan een vader en moeder gegeven, aan een crècheleider toevertrouwd, aan een priester of zuster toevertrouwd en dan moeten zij er wat mee. In veruit de meeste gevallen gaat het goed, maar soms… En zo las ik ter voorbereiding op deze preek ook een ander frappant verhaal over een kind en wat dat dat kind teweeg bracht. Een mevrouw vertelde: ‘We waren op reis in een ontwikkelingsland, mijn dochter en ik. We liepen op een dag op het afgelegen platteland. We kwamen een boer tegen. In zijn handen droeg hij een kind, klein, vermagerd, ten dode opgeschreven. Hij zegt iets tegen ons, maar het is onverstaanbaar. En al pratend legt hij het kind in mijn handen. Wat moet ik doen? Wat zegt hij? Wat bedoelt hij? Dit kind meenemen? Dat kan toch niet. Teruggeven? Dat kan toch ook niet… Ik heb het kind uiteindelijk toch maar teruggegeven. Zonder woorden. Ik kon niets zeggen, zelfs al had hij mij kunnen verstaan. We zijn snel doorgelopen en uiteindelijk teruggekeerd naar huis. En dat kind? Ik raak het niet meer kwijt. Ik ben er voortdurend mee bezig. Ik vertel het aan iedereen. En alle mensen zeggen: ‘Natuurlijk, kon je er niets mee. Het is goed, dat je het teruggegeven hebt. Je kon niet anders’. Maar hoe meer men dat zegt, des te minder dat mij overtuigt. Er is een stem in mij, die zegt: Ik moet er iets mee… Ik kan er iets mee. En alle kinderen die ik zie… overal zie ik dat kind… ik moet er iets mee…’. Dat is het geheim van Kerstmis: een kind wordt ons gegeven, een kind ons geboren. Neem dit kind en red het… Het kerstkind wordt aan ons allen gegeven… en Hij zal jou redden. Jij, die niets tekort komt, die het goed hebt, geen redder nodig hebt. Jij bent nodig. Ontferm je. Geef je liefde. Geef wat je kan. Je wordt er mens van. En wie dan wonen in het land van de dood, over hen gaat dan een licht op. Want God is met Kerstmis zo nabij als het grote licht dat voor de kleine herders schijnt. Hij is zo nabij als de dansende lichtjes in de stal en in de boom, als het kaarslicht op het altaar, als de lichtjes in de ogen van wie naast je zit. En Hij was zo nabij voor de uitgehongerde geïnterneerden in een jappenkamp. Een van hen had een stompje kaars gevonden. Hij was uitgehongerd, het kaarsvet lonkte naar hem. Maar hij had een ander plan. Midden in de kerstnacht slopen ze uit hun britsen en knielden rondom de kaars en staken hem aan. De man die de kaars gevonden had fluisterde: ‘Het licht schijnt in de duisternis’. En zijn lotgenoten antwoordden: ‘En de duisternis heeft het licht niet overwonnen’. Daarna ging de kaars uit en gingen ze slapen. Het jaar daarop herhaalde zich het ritueel en het jaar daarop weer. Er waren er die in dat duistere kamp overleefden door dat kleine beetje licht. God zo nabij als het licht, zo nabij als een kind ons gegeven. En daar moeten we wat mee! Zalig Kerstmis. Amen. |
| Terug |